Ze klimt in een toren. Vrijwillig. Niemand zegt dat ze het moet doen. Ze laat zich opsluiten: “Twee keer per dag water en brood en appels, wel nog graag een warme maaltijd, Jack,” zegt ze nog voordat de deur dichtgaat. Haar raam kan open en er is zonneschijn en een bos en vogels die ze kan volgen – alleen met haar ogen. Van de schemering wordt ze treurig, dus doet ze tijdig haar zware gordijnen dicht. Na het eten gaat ze nog even schrijven. Soms lezen, maar daar wordje ook vaak treurig van. Daarna legt ze zich neer op haar bed, vlak onder het raam.
Doornroosje sliep.
Naast haar lag een brief:
‘Niet wakker kussen.
Onder geen voorwaarde.
Ook niet na honderd jaar.’
Wat zal ik doen? dacht de prins. Zal ik weggaan?
Of zal ik haar kussen en denken dat zij het niet zo bedoelt?
Ik ben zo moe, zo dodelijk vermoeid…
Doornroosje gluurde door haar wimpers.
Met de grootst mogelijke moeite haalde ze langzaam
en regelmatig adem.
Ze zag de deur dichtgaan,
hoorde de treden van de trap –
zo moe, zo pijnlijk vermoeid, elke stap –
en haar hart werd verscheurd.
– Op basis van “Doornroosje” – Toon Tellegen


